:: Interview
Wie ik ben
Levensloop
Interviews
Favoriete boeken
Wat ik doe
Human Rights Watch
Rapporten
Nieuws
Weblogs
Columns
Politiek verleden
Politieke bijdragen
Kamervragen
Werkbezoeken
Artikelen/toespraken
D66 Standpunten
Wat vindt u?
Stuur mij een bericht
Contactgegevens
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Debat over kenniseconomie en innovatie

[01/30/2004]

 

Bijdrage Boris Dittrich aan het debat over Kenniseconomie en innovatie Nederland heeft twee natuurlijke hulpbronnen waar we heel voorzichtig mee moeten zijn. Het eerste is aardgas en het tweede kennis. Over dat eerste is de toekomst zo 'vast en zeker' dat je er probleemloos een voorspelling over doen. En die is: aardgas raakt op. De gasbaten verdampen en daar moeten baten vanuit de kenniseconomie voor in de plaats komen.
Als eerste wil ik de bewindspersonen danken voor het gegeven dat zij hier willen zijn om met de kamer te spreken over zo'n belangrijke onderwerpen als de kenniseconomie en innovatie. Daarover valt natuurlijk veel te zeggen. Mijn inbreng zal zich concentreren rond een paar thema's.

· De speerpunten in het Nederlands beleid;
· Het innovatieplatform;
· Europa;
· ICT;
· Enkele suggesties.

De speerpunten in Nederlands beleid
Wanneer je aan een buitenlander vraagt ons land te typeren dan is dikwijls de reactie: 'Nederland is een land van rapporten, studies, werkgroepen, pappers en nathouders. Het zijn polderaars'.

Ook in de wetenschap wordt veel gepolderd. Veel besturen, veel eigen belangen en er is veel tijd nodig om alles te schikken en te plooien.

Kijken we naar de staat van onze kenniseconomie dan is er geen tijd om veel te schikken en te plooien. Eerder nodig is leiderschap, duidelijke speerpunten en focus. Alleen dan kan Nederland de ontstane achterstandspositie terug winnen behouden en niet gaat behoren tot de kopgroep van Europa.

Wat is die achterstand'
· Achterstand technologische innovaties (meer in Amerika en Japan, straks ook China);
· Calvinistischer ondernemerscultuur dan Amerika, waardoor er minder risico's worden genomen;
· Een achterstand op ICT-technologie;
· Een gebrek aan Beta-wetenschappers.

Dit zijn een paar gegevens. Vrolijk wordt ik er niet van. Mijn stelling is dan ook dat Nederland beslist niet tot de koplopers behoord ' nog niet ' in Europa als het gaat om een krachtige, innovatieve kenniseconomie. De alarmbel over dit tragische lot van Nederland is gelukkig gaan rinkelen bij overheid en bedrijfsleven. Als we onze kenniseconomie niet snel weten op te bouwen, onze concurrentiepositie niet snel weten te versterken zal Nederland het Texel van Europa worden.

Binnen tien jaar draait de Nederlandse economie vooral op een kennisintensieve diensteneconomie. VNO-NCW komt binnenkort met een heus 'deltaplan'. Ik verwacht daar veel van. Want het succes hangt vooral af van de vruchtbare samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven. De bereidheid van universiteiten om kennis met anderen te delen én om de verbinding met de praktijk aan te gaan om praktisch toepasbare kennis te genereren. Tweederde van de ondernemers in het MKB vindt dat de wetenschappelijke en technologische kennis van universiteiten onvoldoende doorstroomt naar de sector.

Daarnaast is de grote klacht dat onderzoeksinstellingen ' universiteiten ' log, bureaucratisch, naar binnen gericht en vooral met hun eigen 'ding' bezig zijn. De indruk bestaat dat zij zich wat afzijdig houden. Wat doet de minister aan het opengooien van de luiken'

De voorzitter van VNO-NCW, de heer Schraven zegt dat universiteiten het nog niet als hun missie zien om kennis te leveren aan de markt van overheid en bedrijfsleven. Hoe kijkt de minister daar tegen aan'

Om de kenniseconomie aan te jagen worden de technologie instituten steeds belangrijker. Die moeten transformeren van wat stoffige instituten tot de glanzende kroonjuwelen van de kennissamenleving. Maar zeg ik met nadruk, zo ver zijn we nog lang niet.

In de nota 'wetenschapsbudget 2004' staan mooie woorden over technologie-instituten. Zij moeten toegepast onderzoek voor bedrijven en de publieke sector realiseren. Ook moeten zij door hun advisering bijdragen aan de implementatie van wetenschappelijke kennis. Dit alles vraagt natuurlijk om nauwe samenwerking, afstemming en prioritering tussen bijvoorbeeld TNO, GTI's, DLO en andere departementale instituten. Bovendien zijn er nog een aantal technologische topinstituten (TTI's) waarmee moet worden samengewerk.

De voorzitter van de commissie van wijzen die de Bsik voorstellen heeft beoordeeld, Walter Zegveld, zei onlangs: 'er wordt in de wetenschap niet samengewerkt'.

Nu heeft Nederland een achterstand als het gaat om technologische kennis. Er zijn maar weinig beta's en we willen de achterstand inhalen. Ik heb niet de indruk dat deze onderzoekers als vanzelf de samenwerking opzoeken. Ook zie ik weinig impulsen vanuit het rijk om samenwerking te bevorderen óf om instituten samen te voegen. Mij lijkt, geen verandering is geen resultaat. Wat gaat het kabinet nu concreet doen'

Ik zei het net al, er is een schreeuwend tekort aan bètawetenschappers. Volgens de Europese Commissie dreigt dit tekort een belemmering te worden voor innovatie in Nederland. Het percentage exact opgeleide academici is in Nederland ongeveer de helft van het Europese gemiddelde. Verder constateert de commissie dat er in 2002 geen concrete maatregelen zijn genomen. Wat hieraan te doen'

Ik heb begrepen dat er een werkgroep Wijfels is ingesteld om te bezien hoe de samenwerking tussen kennisinstelling beter kan. D66 vindt in elke geval dat de samenwerking te gering is. Dat er vooral papieren samenwerking is, dat de samenwerking aan elkaar hangt van goede bedoelingen, intenties en mooie woorden, maar dat in de rauwe alledaagse werkelijkheid die samenwerking onvoldoende resultaat laat zien. Het lijkt wel alsof de sence of urgency ontbreekt bij de colleges van besturen.

Vraag is welke visie het kabinet op dit punt heeft'

Ik ben ook benieuwd naar operationele plannen om de samenwerking te realiseren. Wat zijn concrete stappen en acties' Wie doet wat, wanneer en hoe'

Een ander punt dat ik naar voren wil brengen is het verspreiding van kennis. Het verspreiden van kennis wordt nog te vaak beschouwd als een academische corvee. Een restactiviteit. Wetenschappelijk onderzoek is mooi, geeft status en een degelijk artikel in een vooraanstaand blad is de kroon op het werk van menig wetenschappers. Maar het schrijven van een artikel is nog geen kennis waar de samenleving iets aan heeft. Verspreiden van kennis onder doelgroepen is vaak moeilijk. Het bespelen van zaaltjes met mensen, het schrijven van toegankelijke teksten en eenvoudig toepasbare methodieken om de nieuwe kennis praktisch toe te passen is niet een prioriteit in de Nederlandse wetenschap. Dat zou naar de mening van mijn fractie anders moeten. Is het kabinet het daarmee eens'

Ook wil mijn fractie dat het kabinet meer voorwaarden stelt aan de financiën die naar alle wetenschappelijke instituten gaan. Daarbij gaat het om forse bedragen, ongeveer 4 miljard euro per jaar. In de eerste geldstroom, die van de overheid naar universiteiten, zit jaarlijks zo'n 1,4 miljard euro. Alle universiteiten krijgen daarvan een deel. Daarbij worden er vrijwel geen eisen gesteld aan samenwerking of het voorkomen van overlap. Ook de kwaliteit heeft nagenoeg geen invloed. Ik vind dat gek. Zo ga je niet effectief om met overheidsgeld. Voorwaarden op het gebied van samenwerking ' zonder echte samenwerking geen geld ', voorwaarden op het gebied van samenwerking met het bedrijfsleven en voorwaarden over kennisverspreiding.

Juist door meer voorwaarden te stellen kan de overheid de gewenste maatschappelijke rol van universiteiten sneller versterken.

Het Innovatieplatform
Innovatie is de vertaling van uitvindingen naar succesvolle producten en concrete toepassingen. Meer is het niet. Het is vooral een handeling waarbij ondernemerschap en creativiteit voorop staan. Nederla




:: terug     





 

 

 

 

 

 

Log in